"op land of op water"
De toelichting begint met een lijst van de Personen: Satyr, Christofoor, het kind en de ik-figuur of dichter.
Satyr komt via Latijn uit het Grieks: saturos. Van Dale geeft “wellusteling”, en het woordenboek Grieks: “als boksdaemon een metgezel van Dionysos”, de god van de wijn. En dan vanuit de iconografische hoek: Satyr is niet alleen uitgerust met bokkenpoten maar ook met een staart.
Eveneens uit Grieks afkomstig is de naam Christofoor: Christ(?)phoros, letterlijk: “drager van Christus”. Hij treedt op in Legenda Aurea, de bekendste Middeleeuwse legendenverzameling; in dit verhaal van religieus-christelijke aard gaat het om de reus Reprobus die de machtigste koning wilde dienen. Nadat hij merkte dat de machtigste soeverein ter wereld de Satan vreesde, zocht hij die rivaal om diens dienaar te worden, maar toen hij tot de ontdekking kwam dat Satan op zijn beurt de Man aan het Kruis en ook het kruisteken angstaanjagend vond, wilde hij in dienst treden van Christus.
Een kluizenaar gelastte de reus toen om alle pelgrims die, op weg naar een heiligdom, een gevaarlijke rivier moesten oversteken, op zijn schouders te nemen en naar de overkant te dragen. Maar niemand diende zich aan. Op een avond stond er een kind aan de oever. Reprobus nam het op zijn schouders en ging de rivier in, maar plotseling steeg het water, de stroom deed hem wankelen, het kind werd zwaarder en zwaarder. Met de grootste inspanning bereikte de reus de overkant. Het kind zei toen: “Ik ben Christus, u wilde mij dienen,” en verdween in het donker. Reprobus liet zich dopen en koos de naam Christophorus.
Onder anderen Jeroen Bosch heeft een fraai schilderij van hem gemaakt.
Tenslotte zijn er nog het kind en de ik-figuur of dichter.
Met Satyr en Christofoor opent de bundel Vormen van Martinus Nijhoff (1894 – 1953). Deze verscheen in 1924; de titel geeft aan waar het de dichter om te doen was: het schrijven van vormvaste, hecht doortimmerde gedichten. Een voorbeeld hiervan is het rijm aan het einde van de regels 5, 6 en 7 in iedere strofe: “bosschen – mossen - vossen; weeker – onzeker – streek er”.
Het kind is een belangrijk motief in de gedichten van Martinus Nijhoff. In de bundel Vormen zijn daarvan onder andere “De kinderkruistocht”, “Het stenen kindje” en “De wolken” voorbeelden. “ (..) boeiend dat we weten hoezeer het kind voor Nijhoff symbool stond voor het tot leven komen van zijn gedichten,” schrijft Bart Slijper in “Elk woord ging ademhalen”, de uitmuntende biografie van de dichter.
In een ander kader wil ik nu even citeren uit één van talloze gesprekken die de fotograaf Brassaï met Picasso voerde. De schilder vertelt over een zevenjarige Etienne die een kleine gouache heeft gemaakt, ‘De drie musketiers’, maar de jongen vond die niet goed en had hem verscheurd en in de prullenbak gegooid. Picasso zegt: “Het is echt een juweeltje (…), buitengewoon…, ik heb zelden op die leeftijd zo ’n felheid, zo ’n vaardigheid, zo ’n schilderstalent gezien.” (…) Maar“het talent van de kindertijd… op een bepaalde leeftijd verdwijnt het spoorloos. (…) Toen ik zo oud was als dat jochie maakte ik academische tekeningen.”
Later bekent Picasso dat hij 25 jaren nodig had om weer te kunnen tekenen als een kind.
Even uit de eigen praktijk: Als ik met een kleinkind teken of schilder, ben ik steevast onder de indruk van haar of zijn talent.
Terug naar het gedicht.
Christofoor en de satyr hebben met twee wezenlijke kanten van Nijhoffs persoonlijkheid te maken. Enerzijds is hij opgevoed door een vrome moeder die heilsoldate was en die hem een religieuze opvoeding heeft gegeven, anderzijds mag je hem een zinnelijk mens, misschien zelfs een hedonist, noemen. Beide kanten voelen zich aangetrokken tot het onbevangen, natuurlijke kind. De confrontatie met het kind levert woede op: Christofoor, de idealist, streeft met innerlijk geweld naar het hoogste; satyr, “ incarnatie van de door zinnelijke natuurkrachten gedreven mens”(Knuvelder), verliest in contact met het kind zijn vluchtigheid. Voor beiden is de confrontatie met het kind oorzaak van een “maximaal, tot in de fundamenten van het bestaan ingrijpend effect” (W.J. van den Akker en G.J. Dorleijn). Maar ook voor de dichter klemt het geluk: misschien is het ideaal dat de dichter zich voorstelde tenslotte onbereikbaar; altijd een “nog niet.”
Voor de volledigheid: ik heb geciteerd uit Knuvelder, deel IV.
De biografie van Bart Slijper noemde ik boven al.
Uit Gilberte Brassaï, Gesprekken met Picasso (vertaald door Marijke Jansen en Jelle Noorman), Amsterdam 1964.
Het mooiste artikel over dit gedicht schreven W.J., van den Akker en G.J. Dorleijn, “Satyr en Christofoor of de motieven van een dichter”, in de afscheidsbundel “Op eigen gronden”, opstellen aangeboden aan J.J. Oversteegen. Utrecht 1989, blz 65.